‘Johannes zat wit in de tobbe, met opgetrokken knieën. De damp sloeg van het water en hij vouwde zijn armen op zijn borst. Ik waste zijn rug, mijn moeder waste zijn buik. Onder onze handen sloot hij zijn ogen. Wij zwegen.’
Zo wordt Johannes in de novelle ‘Martje en de anderen’ klaargemaakt voor zijn gang naar een krankzinnigeninrichting.
Verder gaat dit boek over verlangens in het negentiende-eeuwse gehucht Schaaphok en over Spaanse Griep. Andere verhalen spelen in de moderne tijd: in een ziekenhuis, een vol…





